Deel 2- Energieverbruik, energie efficientie en GINI-index als maat voor welvaart van een land

Hence it appears that the quantity, quality and distribution of energy are key issues that influence quality of life.

Verscheidene onderzoekers/wetenschappers zijn druk doende het belang van energie voor de welvaart (kwaliteit van het leven) van een land te ‘kwantificeren’, meetbaar te maken. Een voorbeeld van laatstgenoemde is een uit eind 2013 stammend rapport “Energy, EROI and Quality of Life”, waarin in dit blogartikel nader stilgestaan wordt. Ik beweer niet dat het rapport de waarheid in pacht heeft, maar naar mijn idee maakt het rapport het grote belang van energie voor de welvaart van een land een stuk aannemelijker. Het rapport is gratis te downloaden, klik in deze link daartoe op ‘Download full-text’.

Het gaat me er mede om erop te wijzen dat er onderzoekers zijn die op een zo serieus (gedegen) mogelijke wijze een verband tussen enerzijds het energieverbruik en anderzijds de mate van welvaart van een land proberen te leggen. Of anders verwoord, onderzoekers die het belang van energie voor de mate van welvaart van een land ‘centraal stellen’.
Welvaart is meer dan alleen een hoog Binnenlands Bruto Product (BBP). Een land met een ‘redelijk’ BBP kan op heel wat sociale indicatoren slecht scoren, zoals bijvoorbeeld toegang tot onderwijs. Zeker in landen met een hoge GINI-index, dat zijn landen met grote verschillen in inkomen (rijkdom), zal een relatief groot deel van de bevolking in armoede leven. Laatstgenoemde landen kunnen redelijk scoren wat betreft BBP, maar scoren al snel relatief slecht op allerlei sociale indicatoren.

Lei-index als maat voor sociaal welzijn van een land
In het hierboven aangehaalde rapport worden drie energie gerelateerde factoren als maat voor de welvaart van een land gebruikt. Als maat voor de welvaart van een land wordt in het rapport gebruik gemaakt van allerlei sociale indicatoren [zoals bijvoorbeeld de zogenaamde “Human Development Index (HDI) welke is gebaseerd op allerlei sociale indicatoren, of bijvoorbeeld de GI-index waar specifiek gelet wordt op het welzijn van vrouwen, of over het kunnen beschikken van goed drinkwater en bijvoorbeeld de mate van ondergewicht bij kinderen van een land].

De drie factoren waarop de Lei-index is gebaseerd zijn:
1)Energie efficiëntie van een economisch/sociaal systeem (EROI sociaal)
2)Gemiddeld energieverbruik per persoon (in GJ per persoon)
3)Inkomsten(energie)distributie (spreiding): Gini-Index

Bovengenoemde factoren zijn opgenomen in een formule [de zogenaamde LEI index]. Zie het aangehaalde rapport voor de formule. De Lei-index blijkt, aldus de onderzoeksresultaten in het rapport, sterk te correleren met diverse sociale indicatoren, zoals bijvoorbeeld de HDI. Hoe hoger de op energie factoren gebaseerde Lei-index des te beter in het algemeen een land scoort op allerlei sociale indicatoren. Of anders verwoord, hoe hoger de Lei-index, des te hoger het sociaal welzijn in een land.

In het algemeen is de sociale welvaart van een land hoger naarmate het gemiddelde energieverbruik per persoon hoger is en de energie efficiëntie hoog is. Wat in mijn ogen interessant is (en misschien ook niet zo verrassend is), is dat wanneer het gemiddelde energieverbruik per persoon van een land een bepaalde waarde overschrijdt, het sociale welzijn nauwelijks meer toeneemt. Zie daartoe het rapport voor de relevante waardes. Volgens het rapport is het grootste probleem wat de mensheid in de komende jaren te wachten staat, zeker ook de nog steeds relatief rijke west Europese landen, de afnemende efficiëntie in het energiegebruik. Doordat de makkelijk winbare brand- en grondstoffen van goede kwaliteit steeds meer uitgeput raken, kost het steeds meer geld/ energie/ middelen om de totale hoeveelheid aan netto energie (op betaalbare wijze) op peil te houden. Veel van de huidige economische problemen hebben naar mijn bescheiden mening al noemenswaardig van doen met laatstgenoemde, maar door allerlei rookgordijnen als één van de onderliggende oorzaken aan het zicht onttrokken is.

Als men ervan uitgaat dat er geen grenzen aan de groei zijn en men er wereldwijd voor kiest de strijdt met anderen aan te gaan om toegang te verkrijgen tot allerlei vitale grond- en brandstoffen, zal het economisch gebeuren steeds meer een race naar de bodem worden. Welzijn wordt m.i. op een heel materialistische wijze ingevuld. Sociaal welzijn staat voor mij niet synoniem met een luxe leven.

Gini-index:
De Gini-index is een maat voor de inkomensverschillen van een land.
Hoe groter de inkomensverschillen des te groter de Gini-index.
Wanneer ieder persoon/gezin precies hetzelfde inkomen heeft [zeg voor het gemak dat iedereen precies even rijk is] dan is de gini index minimaal. Wanneer vrijwel alle rijkdom van een land slechts bij een zeer kleine minderheid aanwezig is, nadert de gini index de maximale waarde.
In het rapport [waarbij in dit artikel wordt stilgestaan] wordt de gini-index gebruikt als maat voor de spreiding van het energieverbruik van een land.
In een land met een hoge gini-index, dus een land waar de inkomensverschillen groot zijn, zal over het algemeen het energieverbruik van de rijkste 10% van de bevolking veel hoger zijn dan de armste 10%.
In een land met een lage gini-index, dus een land waar de inkomensverschillen klein zijn, zal over het algemeen het energieverbruik van de rijkste 10% van de bevolking niet veel hoger zijn dan de armste 10%.
Wanneer in landen het gemiddelde energieverbruik per persoon en efficientie in het energieverbruik hetzelfde zijn, zullen Landen met een lage Gini-index over het algemeen flink hoger scoren op sociaal welzijn dan landen met een hoge Gini-index.
Bijvoorbeeld, om het belang van de gini-index (als maat voor spreiding van energieverbruik in een land) te illustreren, een intimiderende big boss die het vanzelfsprekend vind dat hij of zij recht heeft op vrijwel alle bezittingen in het land, want hij of zij is in zijn of haar ogen zo enorm belangrijk voor het land. 🙂
Vrijwel alle mensen in dat landje wonen bijvoorbeeld in een zeer eenvoudig hutje met vrijwel geen meubels of andere assesoires. Het energieverbruik van de mensen is zeer gering. Zij werken dag in dag uit voor de big boss. De big boss bezit een riante villa, een enorm groot verwarmd zwembad, een reeks luxe auto’s en een vliegveld met meerdere vliegtuigen. Het energieverbruik van de big boss is enorm.
Het BBP van het landje kan best wel redelijk zijn, maar als men kijkt naar allerlei sociale indicatoren, zal het land zeer slecht scoren omdat vrijwel alle rijkdom in handen is van een zeer kleine minderheid.
Het enorme energieverbruik van de bigg boss komt niet ten goede aan het welzijn van het land. Zelfs het materiele welzijn van de biggboss zal bij flink minder energieverbruik niet noemenswaardig afnemen. De bigg boss zal met een fractie van zijn huidig energieverbruik als persoon net zo goed scoren op sociaal welzijn als met zijn huidige enorme energieverbruik (verspilling).

Een brainstorm over het grote geld
Het grote geld controleert de wereld. Het grote geld staat gelijk aan macht. Het grote geld is in mijn ogen voor een groot deel afhankelijk van grootschalige niet duurzame productie.
Door de aard van ons financieel economisch systeem binden m.i. grote en machtige corporaties (waarvan de overheid vaak een verlengstuk is) bijvoorbeeld door op grote schaal niet duurzame producten (rommel) aan mensen te verkopen, mensen als het ware aan het systeem. De macht van het grote geld zorgt ervoor dat degenen die niet of onvoldoende over financieele middelen kunnen beschikken, het vrijwel onmogelijk gemaakt wordt om zelfs een heel basaal leven (voldoende eten, drinken en woongenot) te kunnen leiden.
Gechargeerd gesteld wordt kostbare energie en grondstoffen op grote schaal verspilt om de macht en rijkdom van allerlei grote corporaties en instanties (en de direct of indirect daaraan gerelateerde belangengroepen) verder te vergroten.
Een mede door toenemende schaarste veroorzaakte race naar de bodem, welke op verschillende niveaus tot uiting komt. Bijvoorbeeld enerzijds de economische uitbuiting (controle) door de rijke en machtige bovenlaag van anderzijds de minder rijke meerderheid. Of de steeds hardere competitie tussen allerlei economische machtsblokken. Binnen een economisch machtsblok is er natuurlijk ook weer sprake van strijd om de middelen tussen arm en rijk.
Kijkend bijvoorbeeld van wat er nu met Griekenland gebeurd, de economisch sterkere landen van de Europese Gemeenschap hebben bewust meegedaan met het verkopen van vaak niet duurzame rommel (onder andere allerlei luxe gadgets) om er zelf rijker van te worden. De rijke landen hadden kunnen bevroeden dat bijvoorbeeld Griekenland nooit en te nimmer in staat geacht had kunnen worden om al die schulden terug te betalen. Nu blijkt dat Griekenland niet bereid is en ook niet in staat is om (zonder haar economie kapot te maken door te stringente bezuinigingen) haar schulden in voldoende mate af te lossen, schreeuwen de groot investeerders moord en brand dat ze hun geld willen terugzien [en waar uiteindelijk het armere deel van het rijke land aan mee mag betalen als de grote investeerders hun geld niet terugzien]. Men kon naar mijn idee van te voren weten dat sommige landen binnen de Eur. Gemeenschap netto exporterend van aard zullen zijn en andere landen netto importerend van aard zouden blijven. Binnen de euro groep kan een netto importerend land haar valuta niet devalueren om meer concurrerend te worden. Dat een netto exporterend land een minder grote schuld zal opbouwen dan een netto importerend land en dat niet alle landen van de wereld of zelfs van de eur. gemeenschap netto exporterend kunnen zijn. Om nu te gaan eisen dat een netto importerend land haar economische slagkracht flink gaat verbeteren om haar schulden te kunnen aflossen is zoiets als het vragen aan een timmerman het werk van een chirurg te gaan uitvoeren. Helemaal absurd m.i. is om van een land welke niet in staat is haar economische slagkracht flink op te krikken vervolgens te eisen haar economie als het ware volledig kapot te bezuinigen om toch maar haar schulden te kunnen afbetalen. Persoonlijk vind ik dat het risico van het verkopen van rommel op grote schaal aan arme mensen bij de grote verkopers ligt, al was het maar om het niet duurzame op korte termijn gericht winstbejag te ontmoedigen. Ik ben niet tegen produceren, technologie of geld verdienen, maar naar mijn idee is men volledig doorgeslagen in het op korte termijn gerichte winstbejag. Laatstgenoemde komt vooral de rijke bovenlaag ten goede. Armere mensen dienen, omdat men geheel afhankelijk is van het in mijn ogen totaal niet duurzame op schuld gebaseerde en van groei afhankelijke financieel economisch monster, steeds meer te rangschikken naar de wensen van degenen met het grote geld. Te rangschikken in de vorm van voor vrijwel noppes werken om de grootschalige niet duurzame productie machine te blijven dienen. Dus indirect het grote geld/ macht te dienen.
Om tot een meer duurzame samenleving te komen, zal naar mijn bescheiden mening meer draagvlak dienen te komen voor de opvatting dat er grenzen zijn aan de groei en dat de aard van ons financieel economisch systeem een meer duurzame samenleving flink in de weg staat.
Ik vrees dat de gekozen toekomstige weg mede door toenemende schaarste aan betaalbare grondstoffen en brandstoffen (en met name ook drinkwater en betaalbaar voedsel) wereldwijd er eentje zal zijn van toenemende concurrentie tussen naties en mensen onderling, eentje van toenemende hardheid met een blijvende gerichtheid op een heel materialistische invulling van welzijn, en een groeiende kloof tussen arm en rijk. Een toenemende controle van het grote geld over de samenleving als geheel.

Advertenties

Over paradoxnl

Man, 53 jaar, Nederland.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

3 reacties op Deel 2- Energieverbruik, energie efficientie en GINI-index als maat voor welvaart van een land

  1. Hans Verbeek zegt:

    “Helemaal absurd m.i. is om van een land welke niet in staat is haar economische slagkracht flink op te krikken vervolgens te eisen haar economie als het ware volledig kapot te bezuinigen om toch maar haar schulden te kunnen afbetalen. “
    Inderdaad, Paradox. Griekenland heeft de afgelopen 5 jaar al één derde van haar welvaart ingeleverd. En is nu weer net zo rijk (of arm) als in het jaar 2000, toen het in de eurozone werd opgenomen.
    Maar voor IMF, Wereldbank en de Eurogroep is dat kennelijk niet genoeg. Griekenland moet nog armer worden (binnen of buiten de eurozone): net zo arm als de Afrikaanse landen.
    Het IMF (plus Wereldbank en Eurogroep) kan dan hervormingen afdwingen en Griekse overheidsbedrijven privatiseren (en desnoods landbouwgrond verpachten aan multinationals)
    Deze strategie wordt goed uitgelegd door John Perkins, die vroeger werkte voor het IMF.

    Eind juli moet Oekraïne een schuld bij het IMF aflossen, maar het IMF zal Oekraïne blijven steunen.
    Tenminste, voorlopig.
    http://www.zerohedge.com/news/2015-06-19/imf-humiliates-greece-repeats-it-will-keep-funding-ukraine-even-case-default

  2. Pingback: Het grote geld | Paradoxnl's Blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s