Economie in wurggreep door combinatie van duur winbare energie, hoge schuldenberg en te geringe koopkracht

Een brainstorm…

Een drietal artikelen uit de hand van Gail Tverberg en eentje uit de hand van Roger Baker inspireerden me om een nieuw artikel te schrijven. Ik heb ze hieronder opgesomd. Door op de titel te klikken kan men het relevante artikel openen:

1) Energy limits: Why we see rising wealth disparity and low prices (Gail Tverberg)
2) Demand destruction and peak oil (Roger Baker)
3) China: Is peak coal part of its problem? (Gail Tverberg)
4) The Physics of Energy and the Economy (Gail Tverberg)

Ik beweer niet dat bovengenoemde artikelen de waarheid in pacht hebben, maar m.i. wel voldoende om onderstaande brainstorm op papier te zetten. Onderstaande brainstorm zal in de toekomst hoogstwaarschijnlijk door nieuwe inzichten mijnerzijds nog flink bijgeschaafd worden. Er zit nog een boel herhaling in en een boel kromme zinnen. De brainstorm is natuurlijk een interpretatie van genoemde artikelen.

De brainstorm bevat de volgende kopjes:
1: Enerzijds steeds meer energie nodig voor verdere groei, anderzijds winnen van energie reeds te duur
2: De flink toegenomen schuldenberg
3: Te geringe koopkracht of ‘koop bereidheid’ bij burgers
4: Oneconomische groei
5: Het huidig financiële beleid om economische groei te stimuleren leidt tot overproductie
6: Betaalbare energie en grondstoffen cruciaal
7: Toenemende inkomstenverschillen

Datgene wat is geschreven onder de kopjes “Oneconomische groei” en “Betaalbare energie en grondstoffen cruciaal” zijn in mijn ogen de belangrijkste.

1)
Enerzijds steeds meer energie nodig voor verdere groei, anderzijds winnen van energie reeds te duur :
Enerzijds kost het reeds te veel middelen (geld) om de wereldwijde energie productie (met name olie en steenkool) nog op een ‘wereldeconomisch rendabele wijze’ toe te laten nemen. Anderzijds is (ondanks verbeterde technologie en meer efficiëntie) er wereldwijd steeds meer energie nodig om de (werkelijke) wereldwijde economische groei in stand te houden. Een flink dilemma.

Volgens Gail is ‘vrij vertaald’ een snelle ineenstorting van het huidige wereldwijde financieel economisch systeem niet meer te voorkomen. Door de enorm opgebouwde schuldenberg in combinatie met een te geringe koopkracht bij een te grote groep burgers, zal de ineenstorting van de wereldwijde economie ook bij slechts een geringe afname van de beschikbare hoeveelheid aan (netto) bruikbare energie volgens haar niet te voorkomen zijn. Voor het waarom verwijs ik naar haar artikelen.

2)
De flink toegenomen schuldenberg:
Met name de afgelopen 15 jaar zijn er flink wat extra schulden aangegaan om de groei van de wereldwijde ‘werkelijke’ economie op een voldoende hoog niveau te houden.
Bijvoorbeeld in China is de schuldenberg  vanaf het jaar 2007 t/m 2014 verviervoudigd, namelijk van 7 biljoen naar 28 biljoen dollar!

Zolang de toename in schulden vooral ‘goede’ schulden betreffen is er weinig aan de hand, maar de grote vrees bestaat dat de enorme toename in schulden voor een groot deel uit ‘slechte’ schulden bestaat, dat wil zeggen schulden die te weinig bijdragen aan de (toekomstige) werkelijke economie. Ergo, soms zelfs ten koste gaat van de (toekomstige) werkelijke economie. In China is bijvoorbeeld flink wat geld gepompt in het bouwen van nieuwe steden waar bijna niemand woont, omdat bijvoorbeeld de huizen voor velen te duur zijn of veel te ver van hun werk afstaan. Zeker in het geval de nieuw gebouwde huizen van niet al te beste kwaliteit zijn, is regelmatig onderhoud belangrijk. Nu staan er een heleboel huizen leeg en worden daardoor niet onderhouden. Een heleboel werkelijk kapitaal wordt geleidelijk aan vernietigd.
De enorme Chinese economische groei was mogelijk dankzij het aangaan van enorme schulden en haar grote steenkool reserves van goede kwaliteit.
Dat aangegane schulden steeds minder bijdragen aan de werkelijke economische groei, blijkt onder andere uit dit artikel of uit onderstaande grafiek afkomstig uit dit artikel (ervan uitgaande dat informatie klopt).

Samengevat zou men het volgende kunnen stellen:
“The paradigm of borrow to grow no longer operates”. Het paradigma om extra werkelijke economische groei te bevorderen via het aangaan van extra schulden werkt onder de huidige omstandigheden niet meer.

Als ik het goed begrepen heb is het door de kwantitatieve verruiming van de laatste jaren het voor banken veel makkelijker geworden om grotere sommen aan geld uit te lenen. De banken kunnen het extra geld tegen een relatief lage rente uitlenen aan allerlei financiële instellingen (welke er bijvoorbeeld mee kunnen speculeren) of aan bedrijven of ook aan burgers (denk hierbij aan hypotheken). Wat ik ervan begrepen is dat een groot deel van dat extra geld vooral aan grote bedrijven en financiële instellingen is uitgeleend en in veel mindere mate (bijvoorbeeld in de vorm van hypotheken) aan burgers.
In diverse sectoren van de economie worden in het kader van kwantitatieve verruiming met name grote bedrijven in staat gesteld om onder gunstige voorwaarden grote sommen aan geld te lenen, in de hoop daarmee de werkelijke economische groei voldoende aan te zwengelen.
Volgens Gail en Roger is [afgezet tegen de kolossale financiële stimuleringen] van dat aanzwengelen van de werkelijke economische groei tot nu toe veel te weinig terecht gekomen en is waarschijnlijk ook niet meer mogelijk vanwege de steeds duurder winbare energie en grondstoffen. Zie daartoe het kopje ‘Betaalbare energie en grondstoffen cruciaal’ verderop in dit artikel.

3)
Te geringe koopkracht of ‘koop bereidheid’ bij burgers
Een belangrijke directe oorzaak van de afzwakkende groei van de wereldwijde economie is een te geringe koopkracht bij het overgrote deel van de burgers. Een belangrijke oorzaak van de te geringe koopkracht bij burgers zijn de sinds het jaar 2000 sterk gestegen kosten om energie en grondstoffen te winnen. De kosten van energie en grondstoffen (en de daarmee samenhangende energie- en grondstofprijzen) zijn veel sneller gestegen dan de lonen. Ergo, als ik me niet vergis zijn de lonen in de OECD wereld de afgelopen jaren niet of nauwelijks gestegen, terwijl de kosten van het levensonderhoud, onder andere door stijgende benzineprijzen, wel bleven stijgen.
Misschien hebben economen [welke flinke invloed hebben op het gevoerde fiscale en monetaire beleid van een overheid] de koopkracht en ‘koop bereidheid’ van burgers onderschat. Of men is gewoonweg de wanhoop nabij. Persoonlijk vermoed ik vooral dat laatste.
Zeker in een economie met een relatief grote dienstensector is het van belang dat mensen flink wat geld blijven uitgeven aan diensten en producten.
Maar wat als de koopkracht van een groot deel van de bevolking te klein is om de werkelijke economie te stimuleren? Bijvoorbeeld dat grote groepen mensen na het betalen van de vaste lasten en het aflossen van aangegane schulden niets overhouden voor extra uitgaven, en als ze iets overhouden dat liever  op een spaarrekening zetten. Een gevolg van het stimuleringsbeleid (o.a. kwantitatieve verruiming) is overproductie. Meer over laatstgenoemde onder kopje “Het huidige financiële beleid om economische groei (op geforceerde wijze) te stimuleren leidt tot overproductie” verderop in dit artikel.

Terzijde: In Nederland hoor je sommige politici en economen roepen dat mensen meer moeten kopen om de economie te stimuleren. Probleem is dat steeds meer mensen maar amper rond kunnen komen of  in financiële problemen zitten zonder al te grote uitgaven te hebben gedaan. Steeds meer mensen moeten noodgedwongen bezuinigingen op allerlei uitgaven. Blijf dan maar roepen dat de mensen minder moeten sparen en meer moeten gaan uitgeven. De vaste lasten zijn naar mijn idee harder gestegen dan de lonen. Men zou dan, gechargeerd gesteld, degenen die te spaarzaam zijn kunnen gaan beschuldigen van oneconomisch of zelfs asociaal gedrag. Dat ze verplicht meer moeten uitgeven aan goederen en diensten om de werkelijke economie te ondersteunen. De omgekeerde wereld. Voor de duidelijkheid, laatstgenoemde is niet mijn opvatting.

Wat nu volgt is nogal gechargeerd: Ik ben van mening dat de aard van ons huidig ‘financieel-economisch’ stelsel en het ‘politiek-economisch beleid’ een overgang naar een meer duurzame, sociale en meer op welzijn gerichte samenleving flink in de weg staat. Dat we (met zijn allen) steeds harder de strijd met elkaar aangaan om de m.i. niet vol te houden materiële welvaart in stand te houden. Steeds meer presteren, steeds meer onderlinge concurrentie, steeds meer zelfredzaamheid, steeds meer bloed, zweet en tranen [om vooral de luxe van het rijkere deel van de samenleving in stand te houden] en steeds meer stress om een illusie in stand te houden. Het streven naar meer en meer materiële welvaart gaat uiteindelijk meer en meer ten koste van duurzaam welzijn. Volgens mij is het van kinds af aan vooral ‘aangepraat’, bijvoorbeeld via reclame’ dat mensen extra gelukkig worden van bijvoorbeeld een luxe woning, heel veel spullen, lange en dure vakanties, noem maar op. Dat bijvoorbeeld succes, sociale status en ‘vooruitgang’ geassocieerd wordt met flink wat materieel bezit (met de nodige gadgets). Naar mijn bescheiden mening leven we niet in een oneindige wereld maar in een wereld met grenzen aan de groei. In een oneindige wereld zou het huidige streven naar meer en meer uiteindelijk ook het grotere geheel ten goede kunnen komen, maar in een wereld met grenzen aan de groei (denk aan energie, grondstoffen en milieu) werkt dat streven m.i. uiteindelijk averechts.
Sociaal en democratisch is m.i. prima, maar niet onder de paraplu van bijvoorbeeld neoconservatisme of neoliberalisme. Misschien dat in kader van duurzaamheid een nieuwe vorm van communalisme (dat is iets anders dan communisme) uitkomst kan bieden, maar dat is weer een heel ander verhaal.

4)
Oneconomische groei:
En is economische groei wel zo wenselijk? Draagt menig economische activiteit die meegeteld wordt bij het Bruto Binnenlands Product wel echt bij tot meer welvaart, laat staan meer welzijn? Vooral vanuit een energie of milieu perspectief zijn er m.i. heel wat economische activiteiten die het grotere geheel meer kwaad dan goed doen. Dat gechargeerd gesteld economische groei steeds meer als oneconomische groei gezien kan worden. Lees daartoe bijvoorbeeld dit artikel of dit artikel maar eens.  Er zijn bijvoorbeeld in de tertiaire sector heel wat goed betaalde banen die naar mijn bescheiden mening het groter geheel veel meer kwaad doen dan goed. Dat vele ondernemingen eerder bijdragen aan de toekomstige verslechtering van het welzijn dan aan de verbetering ervan. Ons financieel-economisch monster verteerd als het ware steeds meer haar eigen kinderen.

Vanwege een tekort aan betaalbare energie is het naar mijn idee onvermijdelijk dat binnen niet al te lange termijn er een heleboel ook goed betaalde banen in de tertiaire sector gaan verdwijnen. Om even sarcastisch te doen: Al deze ontslagen mensen kunnen onder het huidige m.i.  neoliberale beleid (gechargeerd gesteld houden neoliberalen vooral van mensen die in hun ogen bijdragen aan de economische groei en niet van mensen die niet bijdragen aan de economie) weggespoeld worden door het afvoerputje. Ze mogen dan de andere kant van de samenleving  ervaren, namelijk zich zoveel mogelijk zelfredzaam opstellen en vrijwel voor noppes ander werk gaan doen, als dat voorhanden is. Naar mijn bescheiden mening dient in de context van grenzen aan de groei ons op (niet duurzame)  economisch groei gericht sociaal economisch stelsel flink omgevormd te worden, waarbij het geaccepteerd wordt dat het leiden van een relatief  simpel bestaan uiteindelijk veel waardevoller voor het geheel is dan het vergaren van flinke rijkdom met behulp van niet duurzame, niet voor levensonderhoud noodzakelijke energie en grondstoffen verslindende economische activiteiten. Laatstgenoemde zou wel ‘nut’ kunnen hebben in een oneindige wereld, maar in een wereld met grenzen aan de groei heeft het voor het grotere geheel uiteindelijk een flink averechtse uitwerking. Een flink minder materialistisch ingestelde samenleving waarin grote rijkdom of te hoge salarissen eerder als een groot kwaad ervaren wordt in plaatst van iets waar men trots op moet zijn, lijkt me geen slechte zaak.

5)
Het huidige financiële beleid om economische groei (op geforceerde wijze) te stimuleren leidt tot overproductie:
Het (door banken of andere financiële instellingen) flink geld pompen in allerlei bedrijven om de productiviteit te verhogen leidt in combinatie met te geringe koopkracht al snel tot overproductie.
Veel van de vrijgekomen liquide middelen komen bij bedrijven terecht, welke daarmee extra producten kunnen fabriceren en bijvoorbeeld meer mensen in dienst kunnen houden of nemen. Echter, simpel gesteld, een groot probleem is dat de grote hoeveelheden aan vrijgekomen liquide middelen niet zorgen voor voldoende stijgende koopkracht bij burgers wereldwijd, zodat veel bedrijven niet voldoende omzet kunnen draaien. Er is een minimale prijs per product benodigd om de fabricage kosten van het product terug te verdienen.
Het produceren van al die goederen kost vaak flink wat energie en grondstoffen. Om het mogelijk te maken allerlei producten te produceren, dienen er o.a. brandstoffen en mineralen gewonnen en getransporteerd te worden.
Willen bedrijven netto winst maken dan dienen er voldoende (gefabriceerde) producten tegen een bepaalde minimale prijs verkocht te worden. Als de gefabriceerde producten onvoldoende verkocht worden zal na verloop van tijd er minder geproduceerd worden, zeker in het geval het lastiger wordt om grote sommen aan geld te lenen.
Als ik het goed begrepen heb kan een combinatie van te weinig koopkracht (bij de ‘burgers van de wereld’) en overproductie leiden tot een deflatoire spiraal.

6)
Betaalbare energie en grondstoffen cruciaal

Dit hoofdstuk 6 wordt in de toekomst waarschijnlijk nog flink herschreven, zodat het minder herhaling en een wat betere ordening bevat

Om boel van redenen is het de afgelopen tien jaar niet mogelijk gebleken om met behulp van goedkoop winbare olie de wereldwijde olieproductie voldoende te laten stijgen. Hoge olieprijzen waren noodzakelijk om de productie van duur te winnen olie flink op te krikken. Om de werkelijke economie niet te veel te laten lijden onder de erg hoge olieprijzen  (en overige hoge grond- en brandstofprijzen) werd getracht de rente zo laag mogelijk te maken (om de negatieve gevolgen van de hoge olieprijzen op de werkelijke economie zoveel mogelijk te compenseren).
Het IEA en IMF waarschuwden bijvoorbeeld al in het jaar 2011 dat de hoge olieprijzen een gevaar vormden voor de wereldwijde economische groei. Zie daartoe bijvoorbeeld dit artikel.

De afgelopen jaren is met behulp van duur te winnen olie (met name met behulp van de Amerikaanse schalie olie) het wereldwijde aanbod van olie noemenswaardig vergroot. De hoop was om met behulp van duur winbare olie voldoende extra olie op de wereldwijde markt te brengen om de erg hoge olieprijzen op een iets lager niveau te brengen maar ook weer niet te laag, zodat er ten eerste te veel vraag vernietiging voorkomen kan worden en ten tweede de olieprijzen niet te veel dalen zodat de winning van olie uit dure projecten economisch onrendabel wordt. Voor menig olie exporterend land was het van belang dat de olieprijzen niet te veel zouden dalen, omdat anders hun economie in het geding kwam.
Menig investeerder in het schalie olie gebeuren ging ervan uit dat de olieprijzen ook in de toekomst wel rond of zelfs boven de 100 dollar per vat zouden blijven en dat er ook genoeg economisch winbare schalie olie aanwezig was om al dat geleende geld (inclusief rente) af te lossen.
De totale schulden in het ‘schalie oliegebeuren’ is uit mijn hoofd reeds toegenomen tot ruim 350 miljard dollar. Met de huidige olieprijzen zal dat totaal aan schulden nog verder stijgen, dat terwijl de totale schalie olieproductie momenteel aan het dalen is.

In de jaren 2013 en 2014 begon de schalie olie productie flink op stoom te komen. Op het moment dat de schalie olieproductie, vanuit een wereldwijd perspectief gezien, noemenswaardig hoog niveau bereikte (grofweg 4 miljoen vaten per dag), besloot de OPEC eind 2014/ begin 2015 om, vanwege allerlei redenen, te starten met een nieuw OPEC oliebeleid.
In het kader van het nieuwe OPEC oliebeleid werden de oliekranen eind 2014 en begin 2015 helemaal opengedraaid (en zijn nog steeds helemaal opengedraaid) om naar eigen zeggen hun markt aandeel veilig te stellen.
Door een combinatie van de flink gestegen duur winbare Amerikaanse schalie olieproductie, de afzwakkende wereldwijde economie en het op de markt gooien door de OPEC landen van alle beschikbare olieproductie reserve capaciteit (het nieuwe OPEC oliebeleid), ontstond er begin 2015 een flink overaanbod aan olie met als gevolg flink dalende olieprijzen.
Maar volgens diverse analisten zou er zonder het nieuwe OPEC oliebeleid op termijn so wie so een flink overaanbod aan olie zijn ontstaan, vanwege flinke olievraag vernietiging door een combinatie van te hoge olieprijzen en een te geringe koopkracht. Dus door een overaanbod van te dure olie.
Mede ‘dankzij’ de sinds eind 2014 flink gedaalde olieprijzen zijn de totale schulden in het schalie olie gebeuren uit mijn hoofd reeds toegenomen tot ruim 350 miljard dollar. Met de huidige olieprijzen zal dat totaal nog verder stijgen, dat terwijl de totale schalie olieproductie momenteel aan het dalen is. Volgens diverse analisten zijn er op structurele basis minimaal olieprijzen van boven de 75 dollar per vat benodigd (en dus voldoende vraag naar olie) om het schalie oliegebeuren geleidelijk aan uit de rode cijfers te krijgen. En als ik me niet vergis zijn er niet alleen in het schalie olie gebeuren flinke rode cijfers, maar ook bijvoorbeeld in het (diep)zee olie gebeuren en in de Canadese teerzanden.
Momenteel zijn de investeringen in de olie industrie veel te laag om de wereldwijde olieproductie over grofweg drie jaar nog op peil te houden.
Dat er achter het (tijdelijke) overaanbod aan olie ook een  koopkracht probleem bij burgers schuilgaat, blijkt volgens o.a. Gail Tverberg uit het gegeven sinds het jaar 2013 per hoofd van de bevolking de vraag naar energie al iets is verminderd. Met name de vraag naar steenkool (met name in China) is sinds enkele jaren flink verminderd, ergo de laatste paar jaar is wereldwijd de totale vraag naar steenkool al noemenswaardig gedaald!
Of met andere woorden dat laatstgenoemde een signaal is dat de gemiddelde koopkracht van een wereldburger al dermate is aangetast dat het energieverbruik per hoofd van de bevolking al aan het afnemen is. Het gemiddeld energie verbruik per hoofd van de bevolking is sinds 2013 al iets afgenomen dankzij de sterke afname van het wereldwijde verbruik van steenkool. Dat mede dankzij de flink verminderde vraag naar steenkool, sinds het jaar 2013 per hoofd van de bevolking het energieverbruik al iets is afgenomen. Het is afwachten of laatstgenoemde trend zich de komende jaren zal doorzetten.

Indien de in het jaar 2018 of 2019 door verscheidene analisten verwachte flinke olieshock inderdaad gaat plaatsvinden, is de kans erg groot dat per hoofd van de bevolking het energieverbruik nog verder zal gaan dalen. Vanwege dreigende tekorten aan voldoende hoeveelheden aan betaalbare energie wordt het steeds lastiger om een structurele daling van de wereldwijde economie te voorkomen.

Als ik het goed gelezen heb stegen de lonen in de jaren 70 mee met de stijgende olieprijzen, maar sinds grofweg een jaar of tien is dat niet meer het geval. Dus mensen worden al menig jaar niet meer gecompenseerd voor de stijgende kosten van energie en grondstoffen (stijgende kosten welke vooral tot uiting kwamen in stijgende transportkosten). De sinds kort flink gedaalde olieprijzen (en ook de gedaalde gas en steenkool prijzen) zouden nog lange tijd dienen aan te houden om koopkracht herstel te bewerkstelligen. Maar wil men de wereldwijde olieproductie in de toekomst op peil houden, zijn er flink hogere olieprijzen dan nu het geval is noodzakelijk. Hogere olieprijzen welke weer een flinke rem op de wereldwijde economie zetten. Een vervelende spagaat.

Samengevat zou men kunnen stellen dat door o.a. kwantitatieve verruiming, een zeer lage rente stand en een soepel uitleen beleid van banken het o.a. voor bedrijven in het schalie oliegebeuren en het diepzee oliegebeuren zeer makkelijk werd gemaakt om grote schulden aan te gaan om zodoende de beschikking te verkrijgen over de benodigde flinke hoeveelheid aan liquide middelen (geld) om de schalie olie productie en diepzee olieproductie flink op te kunnen krikken.

Probleem is, om in herhaling te vervallen, dat de winning van onder andere de meeste schalie olie, de teerzanden, de diepzee olie en de arctische olie in verhouding tot de koopkracht van burgers te duur is om op langere termijn economisch rendabel te zijn. Als de investeringen in de winning van olie niet snel flink toenemen, staat ons binnen grofweg drie jaar een flinke olieshock te wachten.
Als de olieprijzen vanaf nu gerekend nog een jaar lang gemiddeld niet boven de 60 dollar per vat gaan uitkomen, is, vanwege aanhoudende flink te lage investeringen in de olie winning, een langdurige flinke olieshock beginnend in het jaar 2018 of 2019 niet meer tegen te houden.
Er is momenteel vrijwel geen reserve olieproductie capaciteit aanwezig. De oliekranen zijn wereldwijd zo ver mogelijk opengedraaid. De enige hoop die men kan koesteren is dat de olieproductie in landen die nu geteisterd worden door onrust (o.a. Libie, Nigeria, Venezuela), binnen nu en enkele jaren weer terug op hun oude niveau komen of nog flink verder opgekrikt kan worden (Irak). Vermoedelijk kunnen de overige OPEC landen hun olieproductie de komende jaren niet noemenswaardig meer verhogen en staat met name de NON-OPEC landen een flinke daling van hun olieproductie te wachten.

7)
Toenemende inkomstenverschillen:
Volgens Gail Tverberg veroorzaakt het bereiken van grenzen aan de groei (vanwege de aard van ons huidig financieel-economisch systeem) toenemende inkomensverschillen. Ook bij een geringe wereldwijde economische groei weet de rijke bovenlaag hun rijkdom beter in stand te houden dan minder kapitaalkrachtige burgers. De rijken weten meestal beter gebruik te maken van het m.i. voor velen ondoorzichtige financiële systeem. De rijken weten, ten koste van de rest, meer geld uit geld te maken dan een armere burger. Zelfs ook de koopkracht van middengroepen worden m.i. als het ware afgeroomd om de rijkdom van de rijke bovenlaag zolang en zoveel mogelijk in stand te houden. Bij de lagere inkomensgroepen valt niet meer zoveel af te romen, ook al is die groep in verhouding erg groot.

Volgens Gail Tverberg is er wat economische groei betreft geen tussenweg (tussenweg is nul groei, ik verwijs daartoe naar haar artikelen). Het is volgens haar visie of groeien of ineenstorten. Volgens haar is ineenstorten niet meer te voorkomen. Daarom is het voor haar lastig een boek te schrijven welke uitgevers op de markt willen brengen, omdat het boek geen happy einde heeft.

Advertenties

Over paradoxnl

Man, 53 jaar, Nederland.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s